Nieuwe wet marktpraktijken en consumentenbescherming gestemd

Op 18 maart 2010 heeft de Senaat het wetsontwerp betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming goedgekeurd1. De nieuwe wet vervangt de Wet handelspraktijken van 14 juli 1991 (hierna afgekort ‘WHPC’) en zal normaal nog vόόr de volgende sperperiode (15 mei 2010 volgens de huidige WHPC) in werking treden. De nieuwe wet brengt vele veranderingen met zich mee onder meer voor prijsverminderingsaankondigingen, sperperiodes, gezamenlijke aanbiedingen, verkoop met verlies, enz.

Ondanks enkele positieve punten is deze wet nu al omstreden omdat deze op vele punten niet verenigbaar lijkt met het EG recht.

In deze nieuwsbrief wordt stilgestaan bij een selectie van de belangrijkste voorgestelde wijzigingen in vergelijking met de huidige WHPC.

  1. Cosmetische wijzigingen
  2. Nieuwe definities
  3. Promoties inzake prijzen
  4. Prijsverminderingen
  5. Kortingstitels
  6. Solden
  7. Sperperiode
  8. Etikettering, gebruiksaanwijzingen en garantiebewijzen
  9. Gezamenlijk aanbod
  10. Verkoop op afstand
  11. Default-opties
  12. Verkoop met verlies
  13. Stakingsvordering
  14. De wet nu al voer voor discussie


1. Cosmetische wijzigingen

De vervanging in de titel van de wet van het begrip ‘handelspraktijken’ door ‘marktpraktijken’ wordt doorgevoerd omdat het begrip ‘handelspraktijken’ gedefinieerd wordt in de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken en minder ruim is dan hetgeen de Belgische wetgever reglementeert in de wet.

Bijna alle definities worden samengebracht in artikel 2 en voor ieder begrip geldt slechts 1 definitie meer voor de toepassing van de gehele wet. Daarnaast wordt de hele WHPC door elkaar gegooid en zal van de huidige nummering niet veel meer overblijven. De nieuwe wet is opgebouwd in hoofdstukken: definities en algemene principes (hoofdstuk 1), informatie van de markt (hoofdstuk 2), overeenkomsten met consumenten (hoofdstuk 3), verboden praktijken (hoofdstuk 4), collectieve consumentenovereenkomsten (hoofdstuk 5) en een aantal hoofdstukken met betrekking tot gerechtelijke procedures, strafsancties, enz.

2. Nieuwe definities

Uit de 38 definities in artikel 2 onthouden we o.m. het volgende:

- Het begrip ‘verkoper’ dat aanleiding had gegeven tot heel wat rechtspraak en discussies in de rechtsleer, wordt verlaten en vervangen door het ‘ondernemings’begrip. Dat begrip komt uit het mededingingsrecht en wordt gedefinieerd als 'elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die op duurzame wijze een economisch doel nastreeft, alsmede zijn verenigingen'. De beoefenaars van vrije beroepen blijven echter via een uitzondering buiten het toepassingsgebied van de wet en zullen aan een aparte wet onderworpen blijven.

- In navolging van de Europese wetgeving inzake consumentenbescherming, wordt het begrip ‘consument’ beperkt tot natuurlijke personen. Overheden en rechtspersonen zullen zich dus niet op de bescherming voor ‘consumenten’ kunnen beroepen.

3. Promoties inzake prijzen

Onder deze nieuwe titel worden een aantal zaken samengebracht, maar even interessant is wat er niet meer wordt verboden. Zo mocht men vroeger enkel verwijzen naar prijzen die men voorheen toepaste, naar bij de wet gereglementeerde kleinhandelsprijzen en – hoofdzakelijk binnen de perken van de regels inzake de vergelijkende reclame – naar prijzen van concurrenten. Dat vervalt. Nu geldt enerzijds het algemene verbod op misleiding en anderzijds blijven er regels bij aankondigingen van prijsverminderingen, uitverkopen en solden.

4. Prijsverminderingen

Onder de oude WHPC mocht een ’verkoper’ een prijsvermindering slechts op één van de vier in artikel 5 vermelde wijzen aankondigen. In de nieuwe wet mag een ‘onderneming’ dit om het even hoe doen, zolang de aanduiding op zich niet misleidend is.

Waar onder de oude WHPC de hogere prijs waarnaar verwezen werd, gedurende minstens een volledige maand voor het begin van de aankondiging moest zijn toegepast, voorziet de nieuwe wet dat die referentieprijs voortaan de laagste prijs is die wordt toegepast in de maand voorafgaand aan de eerste dag waarvoor de verminderde prijs werd aangekondigd. Die referentieprijs moet ook worden vermeld in de aankondiging, tenzij de onderneming de consument informatie geeft die het mogelijk maakt die referentieprijs ‘onmiddellijk en gemakkelijk’ te berekenen.

5. Kortingstitels

Er geldt een verschillend regime voor (1) titels die door een onderneming uitgegeven en aangeboden worden bij de aanschaf van een goed of dienst waarbij de koper die titel vervolgens kan aanbieden voor terugbetaling en (2) kortingtitels die de mogelijkheid bieden onmiddellijk een korting op de prijs te krijgen.

Voor de eerste categorie titels legt de nieuwe wet een aantal verplichte vermeldingen op, met name gegevens met betrekking tot de uitgever, het terugbetaalde bedrag, de geldigheidsduur, -modaliteiten en -voorwaarden. De verplichte inschrijving bij de FOD Economie onder de oude WHPC wordt afgeschaft.

Voor de tweede categorie titels geldt dat iedere onderneming aan wie een dergelijke titel wordt aangeboden, verplicht is om deze aan te nemen voor zover aan de voorwaarden van het aanbod is voldaan. Wordt de titel uitgegeven door een andere onderneming dan degene aan wie hij wordt aangeboden, dan geldt die verplichting tot geven van de korting slechts wanneer de titel een aantal gegevens vermeldt, die worden opgesomd in artikel 34 §2 van de wet. Daarnaast kan de koning voor beide soorten titels bijkomende voorwaarden en vereisten opleggen (artikel 36 van de wet).

6. Solden

Voor de soldenverkoop is geen sprake meer van een seizoensopruiming van het assortiment of van versnelde afzet. Het toepassingsgebied van de soldenverkoop wordt uitgebreid tot alle goederen, hetgeen aansluit bij de realiteit.

De vereiste dat de verkoop moet geschieden in de lokalen waar de opgeruimde of identieke producten te koop worden aangeboden in de verplichte sperperiode, wordt verlaten. Men kan dus goederen verplaatsen tussen vestigingen of ze in solden via andere kanalen aanbieden (waaronder internet).

Ook goederen die de onderneming in het verleden heeft verkocht, maar niet meer in de maand voorafgaand aan de solden, kunnen volgens de nieuwe wet voorwerp uitmaken van een soldenverkoop. Wel vereist is dat het gaat om goederen die men voorheen gedurende minstens dertig dagen te koop heeft aangeboden.

De referentieprijs wordt de laagste prijs gedurende de laatste maand of (als het goed dan niet werd verkocht) de laagste prijs die voordien werd gehanteerd, ‘ongeacht het verkooppunt of de gebruikte verkooptechniek’.

De verkoop in solden blijft ook onder de nieuwe wet een uitzondering op het verbod op verkoop met verlies.

Net zoals nu onder de WHPC het geval is, blijft het gebruik van onder meer de termen ‘solden’ of ‘opruiming’ beperkt tot dezelfde specifieke periodes (3-31 januari en 1-31 juli – met een dag vroeger als de eerste dag een zondag is) en mogen die termen niet buiten deze periodes gebruikt worden.

7. Sperperiode

De sperperiodes worden ongeveer drie weken korter, nl. van 6 december tot en met 2 januari (of 1 januari als 3 januari een zondag is) en van 6 juni tot en met 30 juni (of 29 juni als 1 juli een zondag is).

Het toepassingsgebied van de sperperiodes wordt beperkt tot kleding, schoenen en lederwaren, tenzij de Koning het toepassingsgebied zou uitbreiden.

De weinig zinvolle (en mogelijk de met de Richtlijn Oneerlijke Handelspraktijken onverenigbare) regeling dat men ook bij uitverkopen in de sperperiode geen prijsvermindering mag aankondigen, blijft behouden.
 

8. Etikettering, gebruiksaanwijzingen en garantiebewijzen

De vermeldingen die het voorwerp zijn van de etikettering en die dwingend voorgeschreven zijn door de WHPC en haar uitvoeringsbesluiten, de gebruiksaanwijzingen en de garantiebewijzen moeten volgens de oude regeling minstens gesteld zijn in de taal of de talen van het taalgebied waar de producten of diensten op de markt worden gebracht. Deze regeling staat echter op gespannen voet met het Europees recht. De parlementaire voorbereidingen verwijzen hiervoor naar het arrest van het Hof van Justitie in de zaak Colim NV / Bigg’s Continent Noord2, maar dat volgde al eerder uit het arrest Piageme/Peeters3. Daarom heeft de nieuwe wet het over ‘een voor de gemiddelde consument begrijpelijke taal’. Aldus kunnen nu bijvoorbeeld ook pictogrammen of woorden die men gemakkelijk in een andere taal begrijpt, aangewend worden.

9. Gezamenlijk aanbod

Het Hof van Justitie maakte op 23 april 2009 duidelijk dat het verbod op gezamenlijke aanbiedingen van artikel 54 WHPC in strijd is met de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken. Daarom wordt dit verbod in de nieuwe wet niet weerhouden, tenzij dan voor financiële diensten (met een aantal uitzonderingen). De Richtlijn oneerlijke handelspraktijken laat de nationale wetgevers toe om inzake onder meer financiële diensten vereisten op te leggen die strenger of prescriptiever zijn dan de bepalingen van de richtlijn.

Gezamenlijke aanbiedingen blijven wel onderworpen aan de voorwaarde dat ze niet strijdig zijn met de eerlijke handelspraktijken (de algemene norm), en dus niet misleidend zijn (en ook geen verkoop met verlies mogen uitmaken – zie hierna). Verder is één van de bepalingen uit de zwarte lijst van praktijken die per se verboden zijn, dat men niet een cadeauproduct als ‘gratis’ mag voorstellen, wanneer men er in werkelijkheid wel iets moet voor betalen.

10. Verkoop op afstand

De regeling van verkoop op afstand blijft grotendeels behouden, met twee belangrijke wijzigingen. Ten eerste wordt de bedenktermijn uitgebreid tot 14 kalenderdagen, in plaats van de 7 werkdagen in de huidige WHPC. Ten tweede wordt het verbod om betaling te vragen vóór de afloop van de bedenktermijn afgeschaft. De regeling in de nieuwe wet is duidelijk geïnspireerd door het voorstel van Richtlijn inzake consumentenrechten van de Europese Commissie4.

11. Default-opties

Een nieuw artikel (artikel 44) voorziet in een verbod om bij het sluiten van een overeenkomst op het internet gebruik te maken van de mogelijkheid van default-opties die de consument moet afwijzen om iedere betaling voor één of meer bijkomende producten te vermijden. Dit is een duidelijke keuze voor een opt-in systeem waarbij de consument zelf moet kiezen welke bijkomende producten hij wenst aan te kopen. De regeling is geïnspireerd door artikel 23 van Verordening 1008/2008 inzake gemeenschappelijke regels voor de exploitatie van luchtdiensten in de Gemeenschap.

12. Verkoop met verlies

Het verbod op verkoop met verlies wordt deels behouden. Het verbod op verkopen onder de bevoorradingsprijs blijft, maar het verbod op verkoop met uiterst beperkte winstmarge vervalt. Dat laatste is onder meer omdat deze regel in praktijk moeilijk is toe te passen en tot zeer uiteenlopende en tegenstrijdige rechtspraak heeft geleid. De uitzonderingen van de gevallen waarin met verlies verkocht kan worden, zijn op een aantal punten veranderd.

Verkoop met verlies van diensten valt ook in de nieuwe wet niet onder het principiële verbod. Ook de verkopen door producenten blijft buiten het specifieke verbod.

In geval van gezamenlijk aanbod van meerdere, al dan niet identieke goederen, geldt het verbod slechts wanneer het aanbod in zijn geheel een verkoop met verlies uitmaakt.

13. Stakingsvordering

De stakingsvordering blijft een vordering zoals in kort geding die aanleiding geeft tot een uitspraak ten gronde. Nieuw zijn echter o.m. (1) de uitdrukkelijke erkenning van de mogelijkheid voor de voorzitter van de rechtbank van koophandel om aan de overtreder een termijn toe te staan om aan de inbreuk een einde te stellen, hetgeen echter enkel een bevestiging is van een erkende praktijk, (2) een bedrag dat de partij in wiens voordeel een publicatiemaatregel werd uitgesproken, zal verbeuren indien die partij overgaat tot uitvoering van de maatregel en deze later in beroep ongedaan wordt gemaakt, (3) de afschaffing van de mogelijkheid om de zaak in te leiden bij verzoekschrift en (4) dat de vordering tot staking niet meer kan worden ingesteld één jaar nadat de feiten waarop men zich beroept, een einde hebben genomen.

De wet blijft voorzien dat de Minister van Economie bevoegd is om een vordering in te stellen (behalve voor een aantal specifieke inbreuken waarvoor de Minister die voor de betrokken materie bevoegd is, kan optreden). In het verleden heeft dit al tot verschillende vonnissen geleid waarbij de vordering van de Minister van Consumentenzaken, die de handelspraktijken beheert, onontvankelijk werd verklaard.

14. De wet nu al voer voor discussie

Toen op 23 april 2009 het Hof van Justitie oordeelde dat het verbod op gezamenlijke aanbiedingen in de WHPC in strijd is met de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken5, werd er in een voorgaande nieuwsbrief al op gewezen dat het niet uitgesloten was dat de gevolgen van dit arrest veel verder reiken dan enkel dat verbod op gezamenlijke aanbiedingen. Ook andere beperkingen en verbodsbepalingen in de WHPC (zoals diverse beperkingen op de aankondigingen van prijsverminderingen, solden, sperperiodes, waardebonnen, ….) leken op losse schroeven te staan.

De centrale discussie beslecht door het Hof van Justitie op 23 april 2009 was immers of de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken van toepassing was op handelspraktijken, dan wel enkel op ‘oneerlijke’ handelspraktijken. Het Hof van Justitie stelde dat de richtlijn van toepassing is op handelspraktijken in de zin van artikel 2, sub d. Die definitie is echter dermate ruim (‘iedere handeling, omissie, gedraging, voorstelling van zaken of commerciële communicatie, met inbegrip van reclame en marketing, van een handelaar, die rechtstreeks verband houdt met de verkoopbevordering, verkoop of levering van een product aan consumenten’) dat niet enkel gezamenlijke aanbiedingen, maar ook andere methodes van verkooppromoties hieronder kunnen vallen. Dergelijke ‘handelspraktijken’ worden nochtans in de nieuwe wet nog steeds aan regels en verbodsbepalingen onderworpen, zij het dan minder strenge of gewijzigde.

Nochtans geldt voor alle ‘handelspraktijken’ dat als deze niet worden vermeld in de zwarte lijst van 31 limitatief opgesomde praktijken in de richtlijn, zij niet meer het voorwerp kunnen uitmaken van een principieel verbod en beperkingen. Te denken valt bijvoorbeeld aan de bepalingen in verband met aankondigingen van prijsverminderingen, prijsvergelijkingen, uitverkopen, opruimingen of solden en waardebonnen. Zo is het niet evident dat de wetgever nog regels kan uitvaardigen m.b.t. de vraag welke de referentieprijs is waarnaar men mag verwijzen bij aankondigingen van prijsverminderingen. Evenmin valt in te zien waarom men de sperperiode nog mag handhaven, of de soldenperiodes kan vastleggen. Ook diverse beperkingen op bijvoorbeeld uitverkoop en openbare verkoop lijken niet langer verenigbaar met de Richtlijn. Een uitzondering is mogelijk het verbod op verkoop met verlies omdat dit niet specifiek een praktijk is jegens consumenten. Maar wat als de verkoper van de verkoop met verlies een reclamestunt maakt? Voor de sperperiodes is er weliswaar een arrest van het hof van beroep te Brussel dat oordeelt dat dit wettig is onder de Richtlijn, maar tegen het arrest is een cassatieberoep ingesteld6 en ook de Europese Commissie heeft België m.b.t. de sperperiodes in gebreke gesteld.

In het kader van die ingebrekestelling van België heeft de Europese Commissie laten weten dat naast het verbod op gezamenlijke aanbiedingen, een heel aantal andere bepalingen van de WHPC in strijd zijn met de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken. Ook het advies van de Raad van State was niet mals.7 De wetgever legt deze opmerkingen echter voor een deel naast zich neer. Het ziet er dan ook naar uit dat vele bepalingen de komende maanden en jaren ter discussie zullen staan en voorgelegd zullen worden aan hoven en rechtbanken en uiteindelijk ook aan het Hof van Justitie.

----------

1 - Parl. St. Kamer, 2009-2010, 2340/1; Parl.St. Senaat, 2009-2010, 4-1657.

2 - Hof van Justitie 3 juni 1999, Colim NV / Bigg’s Continent Noord, nr. C-33/97, Jur. 1999, I-3175 – Stibbe trad in deze zaak op.

3 - Hof van Justitie 12 oktober 1995, Piageme e.a. / Peeters BVBA, nr. C-85/94, Jur. 1995, I-2955.

4 - Com (2008) 614 def.

5 - Zie de nieuwsbrief van 23 april 2009 over dit arrest, beschikbaar op http://www.stibbe.be/ned/newsletters-list.asp?ServiceId=106. Het Hof van Justitie bevestigde deze rechtspraak onlangs nog in een soortgelijke zaak, met betrekking tot een Duitse verbodsbepaling (H.v.J. 14 januari 2010, Zentrale zur Bekämpfung unlauteren Wettbewerbs eV / Plus Warenhandelsgesellschaft mbH, nr. C-304/08).

6 - Zie hierover onze nieuwsbrief van december 2009 – te raadplegen op http://www.stibbe.be/ned/newsletters-list.asp?ServiceId=106

7 - Parl. St. Kamer 2009-2010, nr. 2340/1, 168 e.v.


Alle rechten voorbehouden. De inhoud van deze e-bulletin werd zo nauwkeurig mogelijk samengesteld. Wij kunnen echter geen enkele garantie bieden over de nauwkeurigheid en volledigheid van de informatie die deze e-bulletin bevat. De in deze publicatie behandelde onderwerpen werden enkel en alleen voor informatieve doeleinden voorbereid en ter beschikking gesteld door Stibbe. Ze bevatten geen juridisch of andersoortig professioneel advies en lezers mogen geen actie ondernemen op basis van de informatie in deze e-bulletin zonder voorafgaandelijk een raadsman te hebben geconsulteerd. Het raadplegen van deze e-bulletin doet geenszins een advocaat-cliënt-relatie tussen Stibbe en de lezer ontstaan. Deze e-bulletin dient enkel voor persoonlijk gebruik. Elk ander gebruik is verboden.