Het eerste reparatiedecreet bij de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening is een feit

Op 1 september 2009 trad het decreet van 27 maart 2009 tot aanpassing en aanvulling van het ruimtelijke plannings-, vergunningen- en handhavingsbeleid in werking. Dit decreet wijzigde voor de twintigste maal en, op aanzienlijke wijze, het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna genoemd “DORO”). Naast een aantal zeer grondige inhoudelijke wijzigingen werd ook een redactionele herschikking doorgevoerd. Het DORO werd gecoördineerd en heet voortaan de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna VCRO).

Minder dan een jaar na de inwerkingtreding van de VCRO zet het (eerste maar wellicht niet het laatste) reparatiedecreet een aantal problemen met de VCRO recht. Tevens worden (alweer) een handvol nieuwigheden ingevoerd.

Het reparatiedecreet
1 werd op 8 juli 2010 goedgekeurd door het Vlaams Parlement en zal op 19 augustus 2010 in werking treden.

Wij zetten hierna voor u de voornaamste wijzingen even op een rij.

  1. Planologie
  2. Verkavelingsvergunningen
  3. Mogelijkheid tot afwijking van stedenbouwkundige voorschriften
  4. Koppeling tussen meldingsplichtige handelingen en de milieuvergunning en -melding
  5. Procedure voor de aanvraag van vergunningen
  6. De Raad voor Vergunningsbetwistingen
  7. Informatieplicht met betrekking tot publiciteit
  8. Handhaving
  9. Afschaffing van de noodzaak tot tussenkomst van het Vlaams Parlement bij de validatie van door de Raad van State vernietigde gewest- en uitvoeringsplannen

1. Planologie

De voornaamste wijziging betreft de termijn waarbinnen het recht van voorkoop kan worden uitgeoefend door bepaalde overheden binnen de perimeter van een ruimtelijk uitvoeringsplan (hierna “RUP”). Reeds lang is de mogelijkheid voorzien om in RUP’s zones af te bakenen waarbinnen aan bepaalde overheden een recht van voorkoop kan worden verleend teneinde het RUP te kunnen verwezenlijken. De termijn waarbinnen dit voorkooprecht kan worden uitgeoefend is evenwel beperkt. De beperkte duur van het voorkooprecht moet vermijden dat een permanente claim zou worden gelegd op de betrokken onroerende goederen.

In het DORO was de voormelde termijn beperkt tot 5 jaar vanaf de inwerkingtreding van het RUP. In de VCRO werd deze termijn verlengd tot 8 jaar om de werkbaarheid van het voorkooprecht te vergroten. Het reparatiedecreet voorziet nu de mogelijkheid om deze termijn te verlengen tot 15 jaar. Het zal echter de planoverheid zijn die in het RUP moet bepalen hoe lang het recht van voorkoop kan worden uitgeoefend.

Voortaan zal de duur van het recht van voorkoop dus voor elk RUP afzonderlijk moeten worden vastgesteld door de planoverheid, hetgeen de overzichtelijkheid alvast niet ten goede zal komen. Bovendien is het nog maar de vraag of door de verlenging van de termijn van 15 jaar nog tegemoet wordt gekomen aan de wens van de decreetgever om geen permanente claim te leggen op de betrokken onroerende goederen.

2. Verkavelingsvergunningen

Een verkavelingsvergunning is vereist voor het verkavelen van een stuk grond voor woningbouw of het opstellen van vaste of verplaatsbare constructies die voor bewoning kunnen worden gebruikt. In de VCRO werd aan artikel 4.2.15, § 1, eerste lid VCRO toegevoegd dat ook de verkoop van kavels die het voorwerp uitmaken van een verkoop van woningen op plan onder de verkavelingsvergunningsplicht valt.

Op vraag van de Vlaamse Confederatie Bouw, wordt deze toevoeging nu opnieuw geschrapt. Het begrip “verkoop op plan” is immers zeer ruim gedefinieerd in de wet Breyne van 9 juli 1971, zodat er onduidelijkheid rees over de gevolgen van deze toevoeging. In de parlementaire voorbereiding wordt in dat kader bevestigd dat de decreetgever nooit de bedoeling heeft gehad om aan de oorspronkelijke verkavelingsvergunningsplicht van het DORO iets nieuws toe te voegen of om deze uit te breiden.

De regeling omtrent het verval van verkavelingen wordt eveneens aangepast. Het is reeds langer een administratieve praktijk om niet enkel de verkoop van kavels in aanmerking te nemen bij het berekenen van het quorum voor het stuiten van het verval van verkavelingen, maar ook de bebouwing door de verkavelaar. Deze praktijk wordt nu decretaal verankerd in artikel 4.6.4 VCRO waar wordt gesteld dat tijdige bebouwing door de verkavelaar conform de verkavelingsvergunning wordt gelijkgesteld met verkoop. De bebouwing moet bovendien tijdig zijn en dus vergund via een stedenbouwkundige vergunning – goedgekeurd in overeenstemming met de voorschriften van de onderliggende verkavelingsvergunning – die niet meer kan vervallen.

3. Mogelijkheid tot afwijking van stedenbouwkundige voorschriften

Artikel 4.4.9 van de VCRO voorziet in de mogelijkheid om af te wijken van bestemmingsvoorschriften van plannen van aanleg indien het aangevraagde kan worden vergund op basis van de voor de vergelijkbare categorie of subcategorie van gebiedsaanduiding bepaalde standaardtypebepalingen in de bijlage bij het besluit van 11 april 2008 betreffende de typebepalingen (de zogenaamde “clichering”). Door in het algemeen te verwijzen naar “plannen van aanleg” werd (ongewild) de deur opengezet om af te wijken van de bestemmingsvoorschriften van BPA’s. Aangezien de decreetgever enkel de mogelijkheid wilde voorzien om af te wijken van de bestemmingsvoorschriften van de gewestplannen, wordt de verwijzing naar “plan van aanleg” in artikel 4.4.9 VCRO nu vervangen door “gewestplan”.

De regeling omtrent de toetsing aan stedenbouwkundige voorschriften binnen andere beleidsdomeinen (met name vooral binnen het domein van de milieuvergunningen) wordt volledig herschreven. Ook milieuvergunningsaanvragen moeten immers worden getoetst op hun verenigbaarheid met de stedenbouwkundige voorschriften. Het is bijgevolg van belang dat voor stedenbouwkundige en milieuvergunningen in dezelfde gevallen kan worden afgeweken van stedenbouwkundige voorschriften teneinde te vermijden dat voor een stedenbouwkundige vergunning kan worden afgeweken van bepaalde voorschriften, maar voor een milieuvergunning niet. De nieuwe regeling van artikel 5.6.7. VCRO beoogt die mogelijkheden volledig gelijk te schakelen.

De plaatsing van fotovoltaïsche zonnepanelen of zonneboilers die geïntegreerd zijn in het dakvlak is in principe vrijgesteld van stedenbouwkundige vergunning. Die vrijstelling geldt echter maar voor zover er geen strijdigheid is met stedenbouwkundige voorschriften en verkavelingsvoorschriften. Vele (vaak decennia geleden opgestelde) BPA-voorschriften zijn echter niet voorzien op het gebruik van zonnepanelen als dakbedekking (bv. een beperking van het materiaalgebruik van dakbedekking). In de VCRO wordt nu voorzien dat fotovoltaïsche zonnepanelen of zonneboilers niet strijdig worden geacht met stedenbouwkundige en verkavelingsvoorschriften, tenzij de plaatsing ervan uitdrukkelijk wordt verboden.

De VCRO voorziet dat planologische attesten vervallen indien binnen het jaar na de afgifte van het attest geen vergunningsaanvraag is ingediend. Niet elk planologisch attest biedt echter een grond voor de afgifte van een anticipatieve stedenbouwkundige vergunning. Zo zijn er bv. attesten waarin de kortetermijnbehoeften niet gunstig worden beoordeeld, en waarin van de aanspraken van het bedrijf gesteld wordt dat deze moeten onderzocht worden op het moment van een planinitiatief. Het reparatiedecreet beperkt de vervalregeling bijgevolg tot planologische attesten die wel degelijk grondslag bieden voor anticipatie in het vergunningenbeleid. Planologische attesten voor andere gevallen blijven vanaf de inwerkingtreding van het reparatiedecreet van verval gespaard.

4. Koppeling tussen meldingsplichtige handelingen en de milieuvergunning en -melding

Sinds lang is voorzien in een koppeling tussen de milieuvergunning of -melding enerzijds en de stedenbouwkundige vergunning anderzijds. De stedenbouwkundige vergunning voor een project waarvoor tevens een milieuvergunning of –melding vereist is, is pas uitvoerbaar nadat een definitieve milieuvergunning werd bekomen of de melding is gebeurd en vice versa. Ook het verval van beide vergunningen is aan elkaar gekoppeld.

De VCRO voorziet echter in de invoering van een nieuwe categorie van meldingsplichtige handelingen in de ruimtelijke ordening. De invoering van deze nieuwe categorie leidt ertoe dat het toepassingsgebied van de regeling omtrent de koppeling tussen stedenbouwkundige vergunning en milieuvergunning of -melding noodzakelijk is. Ook de meldingsplichtige handelingen waarvoor een milieuvergunning of –melding moet worden uitgebreid, kunnen dus pas worden uitgevoerd nadat de milieuvergunning definitief is bekomen of de melding is gebeurd. Indien de milieuvergunning definitief geweigerd wordt, mogen de meldingsplichtige handelingen niet worden uitgevoerd.

5. Procedure voor de aanvraag van vergunningen

Een aantal taken in het kader van de vergunningsprocedure (opstellen van een proces-verbaal van het openbaar onderzoek, het vragen van adviezen, het waken over de aanplakking en de attestering van de aanplakking) waren in de VCRO opgedragen aan de burgemeester, het college van burgemeester en schepenen of hun gemachtigde. Om deze regeling soepeler en meer werkbaar te maken, worden deze taken overgedragen aan de gemeentesecretaris of zijn gemachtigde.

De VCRO bepaalde dat de toegekende stedenbouwkundige vergunning “op bevel van de bevoegde burgemeester wordt (…) aangeplakt, waarbij de bevoegde burgemeester erover waakt dat tot aanplakking wordt overgegaan binnen een termijn van 10 dagen (…)”. Het was daarbij niet duidelijk wie de beslissing moest aanplakken: de gemeente of de begunstigde van de vergunning. In het reparatiedecreet wordt dit rechtgezet en wordt verduidelijkt dat aanvrager tot de aanplakking moet overgaan. Bovendien moet niet langer de volledige vergunning worden aangeplakt, maar volstaat het dat een mededeling wordt aangeplakt dat de stedenbouwkundige vergunning is verleend. Een zelfde regeling geldt voor stedenbouwkundige vergunningen in beroep toegekend door de deputatie (artikel 4.7.23, § 4 VCRO) en overeenkomstig de bijzondere procedure (artikel 4.7.26, § 4, 6° en 7° VCRO).

6. De Raad voor Vergunningsbetwistingen

De procedure en de werking van de Raad voor Vergunningsbetwistingen werd in de VCRO slechts in grote lijnen vastgelegd, zodat er grote onduidelijkheid bestaat en bestond over deze nieuwe procedure. Volgende wijzigingen worden daarom doorgevoerd:

- Het reglement van orde kan voortaan nadere regels vaststellen betreffende de procedure en de werking van de Raad evenals de rechten die verschuldigd zijn voor diensten van de griffie. De mogelijkheid tot het vaststellen van een reglement van orde bestond reeds, maar in het reglement van orde konden slechts een beperkt aantal zaken worden geregeld. Nu is voorzien dat het reglement van orde kan aanvullen daar waar de VCRO onvolledig is;

- Het verzoekschrift tot schorsing en/of vernietiging dient voortaan ondertekend te zijn door de partij en er dient een afschrift van de bestreden beschikking te worden aangehecht. Een beroep wordt niet geregistreerd indien niet is voldaan aan deze verplichting;

- De niet-tijdige betaling van het griffierecht, dat voortaan rolrecht heet, kan op geen enkele wijze nog worden geregulariseerd;

- De mogelijkheid om een pleitnota neer te leggen ter zitting wordt afgeschaft omdat dit een risico zou inhouden op bijkomende vertraging van de procedure voor de Raad voor vergunningsbetwistingen.

7. Informatieplicht met betrekking tot publiciteit

Personen die vastgoed verkopen, verhuren voor meer dan negen jaar, inbrengen in een vennootschap, een erfpacht of een opstalrecht overdragen of op andere wijze de eigendomsoverdracht bewerkstelligen, moeten in de ermee verbonden publiciteit welbepaalde informatie vermelden met betrekking tot het bestaan van stedenbouwkundige en/of verkavelingsvergunning, de bestemming van het goed, het bestaan van een voorkooprecht, of er een dagvaarding werd uitgebracht wegens een stedenbouwmisdrijf en of er een gevalideerd as-builtattest beschikbaar is. In bepaalde gevallen werd evenwel vastgesteld dat de stedenbouwkundige informatie op misleidende wijze was opgesteld. Teneinde misleidende bepalingen in publiciteit te voorkomen, wordt voortaan uitdrukkelijk bepaald dat andere vermeldingen enkel zijn toegestaan indien zij de ontvanger van de informatie niet misleiden omtrent de stedenbouwkundige status van het goed.

8. Handhaving

De werking van de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid wordt op verschillende punten aangepast.

9. Afschaffing van de noodzaak tot tussenkomst van het Vlaams Parlement bij de validatie van door de Raad van State vernietigde gewest- en uitvoeringsplannen

De regeling die waarschijnlijk het meest voor kritiek vatbaar is, betreft de afschaffing van de noodzaak tot decretale validatie van door de Raad van State vernietigde (wijzigingen van) gewest- en uitvoeringsplannen. In de VCRO was voorzien in een regeling waarbij gewestplanwijzigingen die door de Raad van State waren vernietigd omdat geen advies werd gevraagd aan de afdeling wetgeving van de Raad van State, konden worden gevalideerd door de Vlaamse regering, mits bekrachtiging door het Vlaams Parlement. Voortaan zal deze bekrachtiging door het Vlaams Parlement niet meer vereist zijn, maar is het de Vlaamse regering die zelf de vernietigde plannen opnieuw geldig verklaart met ingang van de datum van inwerkingtreding ervan. Hoewel de Raad van State zeer ernstige kritiek uitte op deze werkwijze, werd deze bepaling zonder enige wijziging aangenomen. Bovendien wordt een bijkomende validatieregeling voorzien voor gewestplannen en ruimtelijke uitvoeringsplannen belast met een vormfout op het vlak van adviesverlening door de regionale commissie van advies, evenals voor de BPA’s opgemaakt in uitvoering van eerdere onwettige gewestplanvoorschriften. Ook deze plannen kunnen voortaan worden gevalideerd door de Vlaamse regering, zonder dat een bekrachtiging door het Vlaams Parlement vereist is.

Deze Nieuwsflash bestuursrecht werd verzorgd door Jan Roggen en Pieter Vandenheede.

----------

1. - Decreet van 8 juli 2010 houdende de aanpassing van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009 en het decreet houdende decretale aanpassingen inzake ruimtelijke ordening en onroerend erfgoed als gevolg van het bestuurlijk beleid (B.S. 9 augustus 2010). Het reparatiedecreet treedt in werking op 19 augustus 2010, met uitzondering van een aantal specifieke bepalingen waarvoor een andere datum van inwerkingtreding werd vastgesteld.


Alle rechten voorbehouden. De inhoud van deze nieuwsflash werd zo nauwkeurig mogelijk samengesteld. Wij kunnen echter geen enkele garantie bieden over de nauwkeurigheid en volledigheid van de informatie die deze nieuwsflash bevat. De in deze publicatie behandelde onderwerpen werden enkel en alleen voor informatieve doeleinden voorbereid en ter beschikking gesteld door Stibbe. Ze bevatten geen juridisch of andersoortig professioneel advies en lezers mogen geen actie ondernemen op basis van de informatie in deze nieuwsflash zonder voorafgaandelijk een raadsman te hebben geconsulteerd. Het raadplegen van deze nieuwsflash doet geenszins een advocaat-cliënt-relatie tussen Stibbe en de lezer ontstaan. Deze nieuwsflash dient enkel voor persoonlijk gebruik. Elk ander gebruik is verboden.