|
|
januari 2012 N° 2012/01 |
||
|
|
|
Beste lezer, Deze nieuwsbrief bevat een
becommentarieerd overzicht van de voornaamste maatregelen, op vlak van wettelijke
en aanvullende pensioenen, die door het
begrotingsakkoord gesloten op 1 december jongstleden voorzien worden. De
meerderheid van deze maatregelen moet nog in wetteksten worden opgenomen. Een
aantal hervormingen werden niettemin reeds in de wet
houdende de diverse bepalingen van 28 december 2011 (hierna « de Wet » – zij
worden aangeduid met een sterretje « * ») gegoten. Concreet moet er nog een
groot deel van deze nieuwe wetgeving worden uitgevoerd bij koninklijk
besluit. Bijgevolg kan de concrete
inhoud en impact van de voorziene hervormingen nog (sterk) evolueren,
ongeacht of zij al dan niet werden opgenomen in een wet. Wij zullen u op de hoogte
houden van verdere ontwikkelingen. 1. Wettelijk
pensioen: algemeen 2. Wettelijk pensioen in de
privésector 1.
Wettelijk pensioen: algemeen 1.1
Verhoging van de inkomens van gepensioneerden De Regering heeft bevestigd dat zij de laagste
pensioenen wil opwaarderen. In het kader van de welvaartsenveloppe is een
opwaardering van de pensioenen van de zelfstandigen en van de loontrekkenden
voorzien. 1.2 Gepensioneerden beter informeren De Regering wil dat alle werknemers regelmatig, en vanaf
het begin van hun loopbaan, een raming van hun toekomstige pensioenrechten
ontvangen. De loopbaangegevens over de drie pensioenstelsels (werknemer,
zelfstandige, publieke sector) en de aanvullende pensioenen zullen in één
databank worden bijeengebracht waarvan de gegevens bruikbaar zullen zijn voor
alle takken van de sociale zekerheid. Deze hervorming kadert in de reeds aangevatte implementering van de gegevensbank
SIGEDIS (aanvullende pensioenen). 1.3 Evaluatie van de pensioenbonus De pensioenbonus zal vóór 1 december 2012 opnieuw moeten
worden geëvalueerd, met de bedoeling om zijn aansporend karakter te
versterken. 2.
Wettelijk pensioen in de privésector 2.1
Vervroegd pensioen :
verhoging van de effectieve vertrekleeftijd* De wet voert het beginsel in volgens hetwelk in de privésector, net zoals in het algemeen stelsel van de publieke sector, vanaf 2013 de minimumleeftijd voor het vervroegd pensioen progressief zal worden verhoogd met 6 maanden per jaar. Daarnaast zal ook de minimale loopbaanvoorwaarde jaarlijks met een jaar verhoogd worden. Zo zal tegen 2016 de minimale leeftijd om met vervroegd
pensioen te vertrekken 62 jaar zijn. De minimale loopbaanvoorwaarde zal op 40
jaar komen tegen 2015. Voor lange loopbanen blijven echter uitzonderingen
voorzien.
! De nieuwe wetgeving is van toepassing op de pensioenen
die een aanvang nemen vanaf 1 januari 2013. ! 2.2
Overlevingspensioen Het Regeerakkoord voorziet dat de personen die hun partner (gehuwde partner of wettelijk samenwonende partner) verliezen voortaan een “overgangsuitkering” zullen ontvangen waarvan de duur zal afhangen van de leeftijd, het aantal kinderen en het aantal jaren van wettelijk samenwonen of huwelijk. Indien de begunstigde na afloop van de overgangsuitkering geen baan heeft, zal deze onmiddellijk recht hebben op een werkloosheidsuitkering zonder dat er een wachttijd moet worden nageleefd. Dit stelsel zou het huidige stelsel van overlevingspensioen vervangen. 2.3 Verlenging van sommige loopbanen door bijzondere stelsels op het algemene stelsel af te stemmen* De Wet stemt de bijzondere stelsels van de privésector af op het algemene stelsel voor werknemers. Deze bijzondere stelsels betreffen de mijnwerkers, de zeelui, de beroepsjournalisten en het vliegend personeel van de burgerluchtvaart. De werknemers die echter de leeftijd van 55 jaar bereikt hebben op 1 januari 2012 zullen voor hun volledige pensioen van de oude berekeningsmethode genieten. Voor de anderen zullen de oude berekeningsregels enkel het pensioen regelen met betrekking tot de periodes vóór 1 januari 2012. Vanaf 1 januari 2012 zullen de verworven rechten op basis van de nieuwe berekening gebeuren. De Koning is gemachtigd om overgangsmaatregelen te nemen voor de werknemers die de leeftijd van 55 jaar niet bereikt hebben op 31 december 2011. Hij kan eveneens bijzondere maatregelen nemen met betrekking tot de bijzondere bijdragen zoals voorzien in de pensioenstelsels van de burgerluchtvaart en de beroepsjournalisten. ! De nieuwe regelgeving zal van toepassing zijn op de
pensioenen die effectief en voor het eerst een aanvang nemen ten vroegste op
1 januari 2013. ! 2.4
In
aanmerking nemen van de laatste loopbaanmaanden Krachtens het Regeerakkoord zou er bij de berekening van het pensioen geleidelijk aan rekening gehouden moeten worden met de wedde gestort gedurende de laatste loopbaanmaanden. 2.5
Vrijwillig
werken na de pensioenleeftijd Het Regeerakkoord voorziet de invoering van de volgende maatregelen die van toepassing zijn vanaf 2013: ·
Vóór
65 jaar: het huidig stelsel zal worden behouden. Met andere woorden,
een gepensioneerde werknemer kan een beroepsactiviteit blijven uitoefenen ten
belope van een beperkt inkomen waarvan het bedrag varieert
afhankelijk van de leeftijd van de gepensioneerde, de aard van het pensioen
(wettelijk pensioen en/of overlevingspensioen) en de
aanwezigheid van kinderen ten laste. Niettemin zal deze inkomensgrens
voortaan worden geïndexeerd. · Vanaf 65 jaar : voor de personen die in 2013 42 loopbaanjaren tellen, zal de beroepsinkomensgrens worden afgeschaft. In 2014 zal de maatregel worden geëvalueerd met het oog op een eventuele verhoging van deze loopbaanvoorwaarde. Vanaf een jaarinkomen van 33.000 euro bruto zal de belastingvermindering voor de vervangingsinkomens degressief zijn. Voor de personen die niet aan de loopbaanvoorwaarde voldoen zal de (voortaan geïndexeerde) inkomensgrens blijven maar zal de sanctie in verhouding tot de overschrijding staan. 2.6
Onmogelijk
om bijkomende pensioenrechten op te bouwen wanneer men al een pensioen
ontvangt Deze maatregel blijft van toepassing. 2.7 Aanpassing van de valorisatie van de inactieve
periodes in de pensioenberekening* De Regering beoogt om arbeid beter te valoriseren ten opzichte van inactieve periodes. Het akkoord voorziet ook dat de werkloosheid van de derde periode en de brugpensioenperiodes vóór 60 jaar (behalve de hieronder uiteengezette uitzonderingen) gevaloriseerd zullen worden in de pensioenberekening op basis van het minimumrecht per loopbaanjaar en dat de periodes van vrijwillige werkonderbreking, met uitzondering van gemotiveerd tijdskrediet en thematische verloven, voor maximum één jaar gevaloriseerd zullen worden in de pensioenberekening. De Wet geeft daartoe ook de bevoegdheid aan de Koning om een nieuwe valorisatiemethode te bepalen voor wat betreft de periodes die gelijkgesteld worden met periodes van arbeid na 1 januari 2012 en betrekking hebben op: · periodes van werkloosheid van de derde periode; · periodes van brugpensioen toegekend voor de leeftijd van 60 jaar met uitzondering van de brugpensioenen in geval van een onderneming in moeilijkheden of herstructurering, evenals die welke ingevolge de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 96 (aanvullende vergoeding voor oudere werknemers in geval van ontslag) werden genomen; · periodes van tijdskrediet wegens einde loopbaan genomen voor de leeftijd van 60 jaar; · periodes van tijdskrediet wegens einde loopbaan genomen na de leeftijd van 60 jaar, met uitzondering van 2 jaar indien deeltijds tijdskrediet wordt genomen en van 5 jaar indien tijdskrediet voor 1/5de wordt genomen; · periodes van volledige of gedeeltelijke vrijwillige loopbaanonderbreking en tijdskrediet, uitgezonderd het gemotiveerde tijdskrediet en de thematische verloven. De Raad van State heeft de draagwijdte van de bevoegdheden die in dit kader aan de Koning gelaten worden bekritiseerd. Deze bepaling is niet van toepassing op personen die zich op 28 november 2011 in een situatie bevonden van brugpensioen, volledige of gedeeltelijke vrijwillige loopbaanonderbreking, tijdskrediet, deeltijds tijdskrediet of tijdskrediet voor 1/5de, toegekend aan de werknemer van 50 jaar of ouder noch op de personen die één van deze periodes gevraagd hebben vóór dezelfde datum van 28 november 2011. De Koning is eveneens belast met de vaststelling van de wijze waarop de informatie die nodig is voor de inwerkingtreding van deze bepalingen aan de RVP zal worden meegedeeld. ! Deze maatregelen zijn van toepassing op de pensioenen
die effectief en voor het eerst een aanvang nemen ten vroegste op 1 januari
2013. ! Deze maatregelen zijn van toepassing op werknemers en zelfstandigen. Momenteel werd nog geen enkele van deze maatregelen omgezet in een wet. Ze zijn dus nog niet in werking. 3.1. Veralgemening Naast haar wil om de 1ste pensioenpijler te consolideren wil de Regering de sociale partners vragen om een veralgemening van de 2de pijler of om een 1ste pijler bis te overwegen, bij voorrang voor zij die geen toegang hebben tot de 2de pijler. 3.2. 80% regel De Regering wenst de 80% regel te « evalueren » om er de « perverse gevolgen » van bloot te leggen (met name het aandikken van de bezoldiging op het einde van de loopbaan, rekenfouten door een verkeerde evaluatie van het wettelijk pensioenbedrag bij een gemende loopbaan,…) en die te vermijden. Het Regeerakkoord bevat een belangrijke nieuwigheid met betrekking tot de 80% grens: de werkgeversbijdragen die gestort werden om een aanvullend pensioen op te bouwen zullen maar fiscaal aftrekbaar zijn indien ze recht geven op een aanvullend pensioen dat, met het wettelijk pensioen samengevoegd, het niveau van het hoogste overheidspensioen niet overschrijdt. De concrete modaliteiten van dit principe zijn echter nog lang niet gedefinieerd en kunnen nog evolueren… 3.3. Belastingsvoeten Het Regeerakkoord voorziet een herziening van de belastingsvoeten voor het deel van het pensioenkapitaal opgebouwd door werkgeversbijdragen:
3.4. Belastingsvermindering Momenteel worden de belastingsverminderingen op de persoonlijke bijdragen van de werknemers met het oog op het opbouwen van de 2de en 3de pensioenpijler berekend op basis van een bijzondere gemiddelde aanslagvoet. Voortaan zullen deze echter berekend worden op basis van een aanslagvoet van 30% voor alle belastingplichtigen, ongeacht hun inkomen. 3.5. Externalisatieplicht van de individuele
pensioentoezeggingen voor zelfstandige bedrijfsleiders Sinds 2004 is de opbouw van interne pensioentoezeggingen enkel mogelijk voor zelfstandige bedrijfsleiders die een mandaat als bestuurder, beheerder, vereffenaar of een analoge functie uitoefenen. Deze mogelijkheid zal voortaan niet langer bestaan aangezien deze toezeggingen ook zullen worden onderworpen aan de externalisatieplicht bij een verzekeraar of een pensioenfonds. Bijgevolg, en dit is de bedoeling van de maatregel, zullen de verzekeringspremies bestemd voor die toezeggingen worden onderworpen aan de belasting van 4,4% op de verzekeringsovereenkomsten. Concreet zouden de vennootschappen drie jaar hebben om de intern opgebouwde voorzieningen te externaliseren. Er zou een overgangsperiode worden voorzien waarin een lager tarief dan 4,4% van toepassing zou zijn. Het akkoord verduidelijkt niet of de interne pensioenvoorzieningen verbonden aan oude pensioenbeloftes voor werknemers, toegekend vóór 2004, eveneens beoogd worden. Wordt vervolgd…
De inhoud van
deze nieuwsbrief werd zo nauwkeurig mogelijk samengesteld. Wij kunnen echter
geen enkele garantie bieden over de nauwkeurigheid en volledigheid van de
informatie die deze nieuwsbrief bevat. De in deze
publicatie behandelde onderwerpen werden enkel en alleen voor informatieve
doeleinden voorbereid en ter beschikking gesteld door Stibbe. Ze bevatten
geen juridisch of andersoortig professioneel advies en lezers mogen geen
actie ondernemen op basis van de informatie in deze nieuwsbrief zonder
voorafgaandelijk een raadsman te hebben geconsulteerd. Het raadplegen
van deze nieuwsbrief doet geenszins een advocaat-cliënt-relatie
tussen Stibbe en de lezer ontstaan. Deze nieuwsbrief dient enkel voor
persoonlijk gebruik. Elk ander gebruik is verboden. |
|
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||